Prachtlandschap Noord-Holland!
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018

Vaarten en kanalen

Context

De structuur Vaarten en kanalen beschrijft de grote gegraven watergangen in Noord-Holland: een aantal grote ringvaarten, de trekvaarten, het Noordhollandsch Kanaal en het Noordzeekanaal. Het zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren die belangrijke ingrepen in de ontstaansgeschiedenis markeren en bijdragen aan de identiteit van de provincie. Het stelsel van kanalen en (trek)vaarten heeft door de eeuwen heen een belangrijke rol gespeeld in het transport en vervoer van goederen en mensen. Ze zijn onderdeel van het boezemsysteem, een stelsel van waterlopen waarmee water wordt aangevoerd en het overschot aan water via gemalen en sluizen onder andere naar de Noordzee en het IJsselmeer/Markermeer afgevoerd. In droge tijden en voor het doorspoelen van de boezem wordt via hetzelfde stelsel zoet water uit het IJsselmeer en het Markermeer binnengelaten. De beschreven kanalen en vaarten voeren door verschillende landschapstypen en geven inzicht in de verschillende fasen van ontginning, drooglegging en aandijkingen. De laatste decennia is de recreatieve betekenis van de vaarten en kanalen enorm gegroeid.

 

Burgervlotbrug - Noordhollandsch Kanaal © Theo Baart

Ontstaansgeschiedenis

Het water en de strijd ertegen is onlosmakelijk verbonden met de verschijningsvorm van het landschap in Noord-Holland. Het landschap is grotendeels door mensen gemaakt, waarbij de wens om het water te reguleren een sterke landschapsvormende kracht is geweest. Het heeft ook van oudsher grote invloed gehad op de keuze waar verstedelijking plaatsvond. Door het aanleggen van waterwerken zoals dammen, waterwerken zoals stuwen en gemalen, dijken en kanalen is het landschap gevormd en is het water in een bepaalde vorm gedwongen. Het stelsel van waterlopen dat samen het boezemsysteem vormt is essentieel voor een goede waterhuishouding en draagt door de ruimtelijke verschijningsvorm bij aan de kwaliteit van het landschap en cultuurhistorische waarden. In deze beschrijving zijn de volgende onderdelen van het boezemsysteem uitgelicht: de ringvaarten van de grote droogmakerijen, de belangrijkste trekvaarten, het Noordhollandsch Kanaal en het Noordzeekanaal.

Ringvaarten

De droogmakerijen, de grote inpolderingen van de binnenmeren, herinneren aan de Gouden Eeuw. Voor deze grote ingrepen stelden steden als Amsterdam en Alkmaar geld beschikbaar. De steeds groter wordende waterplassen in het veengebied bedreigden de steden en het ommeland. De Beemster (1612) is van de grote meren het eerst drooggelegd, spoedig gevolgd door de Schermer en de Purmer. De droogmaking van de Haarlemmermeer (1852) was de laatste in deze reeks.

De ringvaart en een ringdijk vormen de rand van het drooggelegde binnenwater/meer. Als eerste werd de ringvaart gegraven, bij voorkeur op het oude land, en werd de grond gebruikt om aan de beide zijden ringdijken op te werpen. Met behulp van molens, en later gemalen, werd het water weggemalen en werd de bodem van het meer het maaiveld van de polder. De ringvaarten kregen een blijvende functie om het teveel aan water dat uit de polder weggepompt werd op te vangen en af te voeren. De vaart werd daartoe verbonden met een afvoerkanaal of uitwatering die het water afvoerde naar de Zuiderzee of het IJ. Dit zijn vaak restanten van oude kreken. Voor de aanleg van de grote droogmakerijen was het veelal noodzakelijk de capaciteit van het afvoersysteem te vergroten.

De verschillende droogmakerijen werden ieder als een geheel drooggemaakt en ingericht, vaak grootschalig, geometrisch en open. De ringdijken en ringvaarten laten de vorm van het meer zien van voor de inpolderingen en zorgen voor een fraai contrast met de geometrisch indeling. Vaak zijn binnen de ringdijken veenrestanten ‘ingedijkt’ die ten opzichte van de rest van de polder een ander maaiveldniveau en afwijkende verkavelingsstructuur hebben. De droogmakerijen hebben alle hun eigen kenmerkende interne structuur en ook de ringvaarten en ringdijken verschillen in opbouw en profiel. Samen met de bijbehorende elementen, als molengangen en (stoom)gemalen die het mogelijk maakten de enorme binnenmeren droog te leggen, vormen ze unieke ensembles.

Trekvaarten

De Noord-Hollandse trekvaarten waren kanalen die steden als Amsterdam en Haarlem onderling verbonden, maar die ook de stad met het omliggend landelijk productiegebied verbonden. De trekvaarten werden vooral in de 17e eeuw aangelegd en werden intensief gebruikt voor de binnenscheepvaart (personen, zandwinning, drinkwater, goederen) tot de komst van de spoor- en tramlijnen. Via het water werden de producten van het land naar de stedelijke markten en later naar de veilingen vervoerd. De trekschuiten waren het eerste openbaar vervoer met betrouwbare dienstregelingen in Nederland. In de 17e eeuw was de trekschuit geroemd als vervoersmiddel van de kleine middenstand – betaalbaar en comfortabel. De trekvaarten vormden tevens de verbinding naar buitenplaatsen en landgoederen, zowel in Kennemerland (binnenduirand) als in Het Gooi (’s-Graveland). Bijna 200 jaar vormde het trekvaartenstelsel een belangrijke schakel in het transportsysteem van Noord-Holland. Naast verkeersverbinding hadden de trekvaarten ook vaak een functie in het afwateringsysteem.

Vanuit Amsterdam werden trekvaarten naar het westen, noorden en oosten aangelegd. Naar het westen liep de oudste en belangrijkste trekvaart naar Haarlem en Leiden (1634-1650). Deze trekvaart is met uitzondering van het deel tussen Halfweg en Haarlem geheel bewaard gebleven.

Vanaf Amsterdam naar het noorden liep een trekvaart naar Monnickendam, Edam, Purmerend en Hoorn (Vijfstedentrekvaart). In Hoorn vond deze trekvaart aansluiting bij de eerder gegraven trekvaart Hoorn-Alkmaar. De Vijfsteden- werd later uitgebreid tot de Zesstedentrekvaart, hoewel de verbinding met Enkhuizen via een verharde weg was. De trekvaarten vielen deels samen met ringvaarten van de droogmakerijen. De Vijfstedentrekvaart werd rond 1819 deels vergraven tot het Noordhollandsch Kanaal.

Vanaf Amsterdam naar het oosten liepen trekvaarten naar Weesp en ‘s-Graveland en Muiden en Naarden. Hierbij speelde de zandwinning voor de uitbreiding van de grachtengordel van Amsterdam een rol (zanderijvaarten). Voor de zandwinning werd een concessie verworven die bepaalde dat men in een geometrisch afgebakend blok in het Gooi zand mocht winnen. Voor het transport van het zand werden de ‘s-Gravelandsche Vaart (1634) en de Weesper Trekvaart (1639) aangelegd. Ook zorgde de goede bereikbaarheid over waterwegen van en naar Amsterdam voor de groei van andere nijverheid. Zo leidde deze goede bereikbaarheid, in combinatie met het zachte en schone Vechtwater ervoor dat zich in ’s-Graveland al vóór 1700 en in Nederhorst vanaf 1850 menig klerenblekerij/wasserij vestigde. De Reevaart bij Nederhorst Den Berg werd in 1629 gegraven om een bocht in de Vecht af te snijden en zo de vaarweg flink te verkorten. Deze is later gedempt.

Het trekvaartenstelsel in Noord-Holland is voor een groot deel behouden gebleven, maar enigszins uit het collectieve geheugen verdwenen. Ook zijn er (delen van) trekvaarten gedempt zoals een deel van de Haarlemmertrekvaart en de Reevaart bij Nederhorst Den Berg. De Reevaart heeft wel het karakter van het dorp bepaald.

 

Ansichtskaart van de Koedijk en het Noordhollandsch kanaal (bron: www.postcardsfrom.nl)
zicht op alkmaar (bron: www.wandelpaden.com/alkmaar)

 

Noordhollandsch Kanaal

Het Noordhollandsch Kanaal is aangelegd als verbinding van Amsterdam naar zee en werd in 1824 voltooid door het uitdiepen, verbreden en op elkaar aansluiten van bestaande (boezem)wateren, waaronder de Beemster- en Schermerringvaarten en het oude riviertje de Rekere. Voor deze lange noord-zuid verbinding werd destijds gekozen, omdat men een oost-west verbinding door de duinen nog niet aandurfde vanuit het oogpunt van kustveiligheid. Het kanaal was ongeveer 40 meter breed, zodat de grote zeeschepen door het kanaal konden varen. Ze werden voortgetrokken door paarden, die over de vaak verhoogde jaagpaden liepen. De latere provinciale wegen langs het kanaal zijn vaak op de plek van deze jaagpaden komen te liggen.

Het Noordhollandsch Kanaal voerde door verschillende landschappen en stedelijke gebieden, waardoor een gevarieerd beeld langs het tracé ontstond. Al enkele tientallen jaren na de aanleg bleek dat het kanaal te klein was voor de nieuwste schepen. De opening van het Noordzeekanaal in 1876 betekende het einde van zeescheepvaart op het Noordhollandsch Kanaal. Over het Noordhollandsch Kanaal werden rond 1824 negen vlotbruggen ontworpen, die de breedte van het kanaal konden overspannen. Deze vlotbruggen waren oorspronkelijk van hout, maar werden later gevormd door pontons gevuld met water en konden elektrisch geopend worden. Rondom de oversteek ontstonden buurtschappen. Bekende vlotbruggen waren te vinden bij De Kooy, Stolpen en Zijpersluis. De eerste twee zijn vervangen door basculebruggen, de derde is door een pontje vervangen – en ook weer uit bedrijf genomen. De vlotbruggen aan de zuidkant van Koedijk, Burgervlotbrug, St. Maartensvlotbrug en ’t Zand liggen er nog (naar ontwerp van Jan Blanken). Deze bruggen hebben de status van provinciaal monument verkregen. Aan de noordkant van Koedijk is in 2010 de Rekervlotbrug toegevoegd als fietsverbinding.

Noordzeekanaal

Het Noordzeekanaal werd aangelegd als verbinding van Amsterdam naar zee. Het moest een alternatief zijn voor het Noordhollandsch Kanaal dat al snel niet meer aan de eisen voldeed van het groeiende scheepvaartverkeer. In 1876 werd het Noordzeekanaal voor de scheepvaart officieel geopend. Dit gaf een impuls aan de bloei van Amsterdam en bracht een nieuw industrialisatieproces teweeg langs de Zaan en langs het Spaarne. Dit leidde tot belangrijke concentraties van laat 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse industriecomplexen langs de Zaan in Wormer, in Zaandam en langs het Noordzeekanaal. In dezelfde periode werd direct ten zuiden van het Noordzeekanaal de spoorlijn Amsterdam–Haarlem aangelegd.

Het Noordzeekanaal werd door het smalste deel van de duinen gegraven en deelde zo de kuststrook op in Noord- en Zuid-Kennemerland. Langs het Noordzeekanaal vestigden zich tal van bedrijven (nu deels industrieel erfgoed) waaronder het Hoogovencomplex (nu Tata Steel IJmuiden) bij de monding in de Noordzee. De afgelopen decennia zijn langs het Noordzeekanaal diverse bedrijventerreinen aangelegd, waaronder het afvalverwerkingsbedrijf bij Nauerna.

Ringvaart Haarlemmermeer © Theo Baart
Kernwaarden in het ensemble en overzichtskaart

Provinciale structuur Vaarten en Kanalen staat hieronder beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden:

  • de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen.
  • openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten.
  • de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken.

 

Overzichtskaart
klik voor grotere afbeelding

Landschappelijke karakteristiek

De ringvaarten vormen de overgang tussen landschapstypen. De droogmakerijen binnen de ringvaarten zijn als één geheel drooggemaakt en ingericht, vaak grootschalig, geometrisch en open. Het land eromheen bestaat vaak uit een veel kleinschaliger veenpolderlandschap. De ringvaarten liggen aanzienlijk hoger dan het maaiveld van de droogmakerijen en ongeveer op eenzelfde peil als het aanliggend landschap. De mee-ingepolderde stukken veenland liggen iets hoger dan de droogmakerij en hebben vaak een eigen verkavelingsstructuur. Aan de buitenzijde van de ringvaarten liggen hier en daar nog restanten van de oude meren en kreken, zoals het Alkmaardermeer, de Kagerplassen en de Westeinderplassen.

Purmerend is over de ringvaart heen uitgebreid in de droogmakerij. De ringvaart van de Purmer ligt hierdoor aan de westzijde in een meer stedelijke setting en ook heeft de route over de dijk een minder continu karakter dan de overige droogmakerijen.

Langs de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder vormen lintbebouwing en kernen een kralensnoer, met ertussen open delen en doorzichten naar het lager gelegen open polderlandschap. De kernen vormen vaak dubbeldorpen met de kernen aan de andere zijde van de ringvaart. De beide kaden langs de ringvaart worden op een aantal plekken verbonden met karakteristieke (ophaal)bruggen. Aan de binnenzijde van de ringvaart zijn hier en daar de oorspronkelijke oevers van het Haarlemmermeer nog terug te vinden. Aan de buitenzijde van de ringvaart liggen de Kager- en Westeinderplassen en het Braassemermeer.

Trekvaarten liggen meestal binnen eenzelfde landschapstype en verbinden verschillende steden. De kades verheffen zich nauwelijks boven het maaiveld. De trekvaarten waren veelal onbeplant, tenminste tussen jaagpad en trekvaart, omdat de boten vanaf de jaagpaden voortgetrokken moesten worden.

Het Noordhollandsch Kanaal begint in Amsterdam Noord en voert via Purmerend en Alkmaar naar Den Helder. Het kanaal zelf heeft een relatief continu profiel, maar de omgeving waar het kanaal doorheen voert is afwisselend: het kanaal schakelt diverse landschapstypen, landschappelijke eenheden en waterlopen aaneen. Het Noordhollandsch Kanaal fungeert ook als begrenzing voor verschillende ensembles zoals delen van de Schermer en de Beemster. Het kanaal is meestal rechtlijnig, grootschalig en onbeplant en oogt soms industrieel door de aanwezige bedrijvigheid en de vele laad- en loswallen. Het kanaal wordt verder begeleid door provinciale wegen of historische linten (Koedijk) en er is een afwisselend beeld ontstaan door de diverse beplanting, de lage en hoge dijken, buurtschappen, kernen en steden, verharde oevers en verre zichten over de duinenrij (Hondsbossche Duinen) en open polders (bijvoorbeeld de Schermer). Erven liggen als groene eilanden aan het kanaal. In binnenstedelijke gebieden hebben de oevers van het kanaal vaak een meer stenig karakter, als onderdeel van de publieke ruimte (binnenstad van Alkmaar).

Openheid en ruimtebeleving

Grote delen van de vaarten en kanalen voeren door het open Noord-Hollandse landschap.

De ringdijken vormen door hun hoogte vaak de begrenzing van de openheid. De dijk is vanuit het open landschap heel herkenbaar. Vanaf de hoge ringdijken is het zicht op het landschap weids en is het uitzicht aan beide zijden heel verschillend: bijvoorbeeld aan de ene zijde de grootschalige geometrische droogmakerij en aan de andere zijde het fijnmazige veenpolderlandschap. Daar waar de verstedelijkingsdruk toeneemt zijn de doorzichten vanaf de dijk naar het achterliggend landschap beperkt geworden.

Ook trekvaarten voeren veelal door open landschap, maar door hun ligging op maaiveldniveau doen ze zelf mee in de openheid. Ze vormen geen begrenzing zoals de ringdijken dat doen. Vanaf de trekvaarten is vaak zicht op het cultuurhistorisch waardevolle landschap.

Vanaf het Noordhollandsch Kanaal is er zicht op de variatie aan open landschappen, op kerken, historische dorpen, stolpen en forten van de Stelling van Amsterdam. Ter hoogte van de Schoorlse duinen is er bijvoorbeeld een weids zicht op de duinrand en de Hondsbossche Zeewering. Op sommige locaties zijn bomenrijen gebruikt als afscherming tussen het kanaal en het stedelijk gebied.

Het Noordhollandsch Kanaal is als één samenhangend project aangelegd, waarin de kunstwerken zoals de vlotbruggen, ophaalbruggen en basculebruggen een markant onderdeel waren van het totaalontwerp.

Het Noordzeekanaal biedt door de grote maat op zichzelf een weids landschap. De haven- en industrieterreinen aan het kanaal hebben een eigen maat en schaal en benadrukken vaak de grote maat in het gebied. Nu de stad oprukt aan de oevers van het Noordzeekanaal, verandert de beleving van de open ruimte. De stedelijke bebouwing en openbare ruimten aan de oevers en de vele ponten over het kanaal maken het kanaal meer onderdeel van de stad.

Ruimtelijke dragers

De vaarten en kanalen vormen beeldbepalende elementen in het Noord-Hollandse (veen)polderlandschap door hun continuïteit en de hoogte van de dijken in relatie tot de openheid van het omliggende landschap.

De ringvaarten verheffen zich boven het landschap. Door de hoogte van de dijken en de steilheid die het dijkprofiel in de loop van de tijd heeft gekregen, zijn ze zeer herkenbare ruimtelijke dragers in het landschap. Vooral vanuit de droogmakerijzijde is het niveauverschil indrukwekkend. De dijken vormen vaak dragers voor de aanliggende erven, stolpen, kernen, forten en gemalen.
De ringvaartzones verschillen onderling. De Beemsterringvaart heeft, in tegenstelling tot de Schermer en de Purmer, beplanting op de dijk, waardoor deze zich nog meer in hoogte aftekent. Deze beplanting is vanaf de aanleg in het ontwerp opgenomen. De dijk is daartoe overgedimensioneerd en de bomen zijn aan de binnenzijde van het talud geplant. De westzijde van de Purmerringvaart is bebouwd, waardoor hier de ringvaartzone te midden van stedelijke woongebieden ligt. Hier is geen continue route over de dijk aanwezig. De ringdijk van de Haarlemmermeer heeft relatief veel dijkbebouwing, vaak direct aan de kruin van de dijk gesitueerd. Ook is de dynamiek in dit gebied groot, onder andere door de aanwezigheid van Schiphol. Hierdoor is de ringvaartzone hier drager van ringvaartdorpen met daartussen open landschap of meer stedelijke functies.

De trekvaarten zijn niet heel dominant in het landschap aanwezig, maar wel duidelijk herkenbaar door het rechtlijnige karakter. Van oudsher was er geen beplanting aan de trekvaart, dit om het voorttrekken van het schip niet te belemmeren. Uitzondering hierop is het jaagpad langs de Muidertrekvaart. Hier heeft de vaart, samen met de toegangsweg met bomenrijen, dienstwoningen en kade naar de voormalige kruitfabriek bijzondere waarde.

Het Noordhollandsch Kanaal vormt een ruimtelijke drager met een sterke samenhang tussen kanaal en omringend landschap. Het kanaal is vaak dominant aanwezig in het landschap door de breedte, de parallelle dijken, (vent)wegen en strakke oevers. Er is op een beperkt aantal plekken beplanting langs het kanaal. De structuur wordt ook benadrukt door de windturbines die op meerdere trajecten langs het kanaal staan. Op meerdere trajecten valt het Noordhollandsch Kanaal samen met de ringvaarten, bijvoorbeeld bij de Schermer en de Beemster.

Langs het Noordzeekanaal vormen de diverse haven- en industriegebieden een eigen wereld, gestructureerd door de waterweg. Het kanaal is tevens een belangrijke drager voor cultureel erfgoed. Langs de noordelijke IJ-oevers liggen bijvoorbeeld belangrijke historische scheepswerven. De cultuurhistorisch waardevolle complexen langs het Noordzeekanaal vertegenwoordigen met elkaar de geschiedenis van de industriële revolutie in Noord-Holland.

Dynamiek

De hier beschreven vaarten en kanalen liggen voor een groot deel binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De verstedelijkingsopgaven in deze regio heeft ook zijn weerslag op de waterlopen. De uitbreiding van het stedelijk gebied, het verbreden van infrastructuur, de energietransitie (windmolens en zonneakkers), de toename van doorsnijdingen en het intensiever recreatief gebruik hebben invloed op deze structuren. Vaak vormen de structuren de randen van landschappelijke eenheden en maken ze onderdeel uit van bestuurlijke grenzen, waardoor ze meer als ‘achterkant’, dan als representatieve zijde en landschappelijke drager worden vormgegeven. Door de verdere verstedelijking, aanleg van nieuwe infrastructuur die over de historische structuren heen aangelegd wordt, maar ook door lokale initiatieven staat het doorgaande en autonome karakter van de structuren en hun regionale betekenis hier en daar onder druk.

Aan de andere kant biedt de recreatieve behoefte in de MRA kansen om vergeten vaarten en kanalen weer in ere te herstellen. De betekenis van de overgebleven vaarten en kanalen wordt steeds groter door het toegenomen vaarrecreatie. Op verschillende plekken langs de Noord-Hollandse kanalen worden momenteel natuurvriendelijke oevers aangelegd.

Langs het Noordzeekanaal worden verschillende oude industrieterreinen getransformeerd tot stedelijke (woon)gebieden. Vuilstort Nauerna aan het Noordzeekanaal wordt deels en in stappen ontwikkeld tot een 40 meter hoog park en uitzichtpunt. Voor de eventuele uitbreiding van de haven wordt het noordelijk deel van de Houtrakpolder gereserveerd. De zeesluis bij IJmuiden wordt vergroot om zo de steeds groter wordende schepen toegang te blijven geven tot de haven van Amsterdam. Dit is naar verwachting gereed in 2019.

De klimaatverandering zal vergroting van het boezemsysteem en extra ruimte voor waterberging dan wel grotere uitmalingscapaciteit nodig maken. Er is nog geen zicht op de wijze waarop dit zal worden vormgegeven.

De Beemster, inclusief ringvaart en ringdijk, heeft de status van UNESCO-Werelderfgoed. De historische vlotbruggen over het Noordhollandsch Kanaal zijn provinciale monumenten. De historische vlotbruggen over het Noordhollandsch Kanaal en andere waterstaatkundige werken zijn provinciale monumenten.

 

Vaarten en kanalen

Ambities en Ontwikkelprincipes

De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen:

  • bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek
  • bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en
  • helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.

Onderstaande ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit.

De ambities en ontwikkelprincipes zijn onder andere gebaseerd op de Visie ringvaart Haarlemmermeer (gemeente Haarlemmermeer 2017); Uitwerkingsnota’s Groenzones Provinciale Wegen & Vaarwegen Noord-Holland (provincie Noord-Holland, 2016 en 2017), Noordzeekanaalgebied Visie 2040 (Stuurgroep Visie Noordzeekanaalgebied, 2013), Noordzeekanaalgebied Kijkwijzer (provincie Noord-Holland, 2016) en Visie Waterrecreatie (provincie Noord-Holland 2016).

1. De ringvaarten en ringdijken vormen een continue, regionale structuur

De ringvaarten en ringdijken zijn waterstaatkundig, ruimtelijk en cultuurhistorisch waardevol voor Noord-Holland. Ze tonen de omtrek van de vroegere meren en vormen een fraaie omlijsting van de vaak geometrische indeling van de droogmakerijen. Kenmerkend is het grote contrast tussen het landschap binnen en buiten de ringvaart.

 

Ringvaarten algemeen

 

Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij:

  • het versterken van de ringvaart als samenhangende en continue cultuurhistorische drager, zowel landschappelijk als recreatief.
    > Versterk de herkenbaarheid en eigenheid van ringvaarten en –dijken. Zorg dat het doorgaande profiel en het hoogteverschil van het dijklichaam met het aanliggende landschap duidelijk zichtbaar blijven.
    > Geef verbindingen onder en over de ringvaart als een ‘familie’ van objecten vorm. Houd het zicht op bruggen en vanaf bruggen vrij.
    > Geef infrastructuur op en langs de dijk compact vorm en zorg dat het doorgaande en autonome karakter van de dijk niet wordt aangetast.
    > Versterk de relatie tussen de ringvaart en het boezemsysteem/ waternetwerk in de rest van de provincie. Zo ontstaat er een vaarnetwerk op niveau van de provincie en (middels de verbindingen met het IJ, Markermeer en IJsselmeer) en zijn kustwateren (kans).

 

  • het herkenbaar houden/maken van de verschillende landschappen vanaf de dijk.
    > Vaak is er aan beide zijden van de ringvaart sprake van verschillende landschapstypen. Zorg dat dit verschil beleefbaar blijft.
    > Houd en versterk vrije doorzichten vanaf de ringvaartdijk naar het lager gelegen achterland: laat bebouwing niet aan elkaar groeien en behoud doorzichten.

 

Ringvaarten specifiek

 

  • het versterken van de ringvaart/ringdijk Haarlemmermeerpolder als regionale groen-blauwe landschappelijke structuur.
    > De ringvaart, ringdijk en bovenlanden vormen samen het snoer waar de diverse (dubbel)dorpen, groengebieden en het erfgoed aan hangen. Versterk het snoer als recreatieve ruimtelijke structuur met een eigen gezicht (zie ensemble Haarlemmermeerpolder).
    > Versterk het doorgaande karakter van de dijkzone en voorkom verrommeling. Houd oevers zoveel mogelijk publiek toegankelijk.
    > Cluster aanlegplaatsen zoveel mogelijk ter hoogte van de dorpen. Versterk haventjes en kades tot recreatieve bestemmingen en ontwikkel hiervoor een eenduidige huisstijl.
    > Plaats bebouwing langs de dijk aan de kruin van de dijk en behoud doorzichten naar het achterland.
    > Ga zorgvuldig om met de kruising van ringvaart en Stelling van Amsterdam: behoud en versterk het zicht op het fort vanaf de Ringvaartdijk, beperk de beplanting in het binnentalud.
    > Versterk de ringvaart als de ruggengraat voor een doorgaand landschap met divers karakter en gebruik. De ringvaart schakelt Kagerplassen, Westeinderplassen en groengebieden aan elkaar. Maak de onderlinge relatie hiertussen beleefbaar (kans).
  • het benadrukken van de continuïteit en krachtige verschijningsvorm van de ringdijk en ringvaart van de Beemster.
    Kenmerkend voor de Beemster ringdijk en ringvaart zijn het steile talud en de smalle kruin, de bebouwing aan de dijksloot, de brede vaart en bomen aan de polderzijde. De Beemster met ringvaart is UNESCO-Werelderfgoed.
    > Houd het zicht van en op de ringdijk open, zodat deze als autonoom element herkenbaar blijft.
    > Behoud de kenmerkende opbouw, het steile talud, de continuïteit en het autonome karakter van de Beemster ringdijk- en ringvaartzone.
    > Houd een royale zone langs de dijk vrij van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
    > Het zuidelijk deel van de ringvaart en kaden erlangs vormen ook nog eens de tribune met zicht op de Stelling van Amsterdam. Daardoor is hier het vrijhouden van het zicht vanaf de dijk van extra belang (zie ook structuur Stelling van Amsterdam).

 

  • het benadrukken van de continuïteit en krachtige verschijningsvorm van de ringdijk en ringvaart van de Schermer.
    Kenmerkend voor de Schermerringvaart zijn de kronkelige vorm, het continue profiel, het steile talud en de brede boezem. De dijk is vrij van beplanting (met uitzondering van de erven), heeft bebouwing aan de dijksloot en meerdere molenplaatsen aan de dijk.
    > Behoud deze structuur als drager voor de polder. Benadruk de dijk als sculpturaal en continu object. Ga zorgvuldig om met het steile talud van de dijk (zie voor het noordelijk deel ook structuur Westfriese Omringdijk).

 

  • het herkenbaar blijven van de Purmerringvaart en ringdijk.
    De Purmerringvaart heeft een minder continu karakter dan de andere hier beschreven ringvaarten. Bijzonder aan de Purmer is dat de kreek die de verbinding vormde met de Zuiderzee (Purmer Ee) nog bestaat.
    > Zorg dat de structuur van de Purmerringvaart en ringdijk zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied herkenbaar blijft. Benadruk de krachtige verschijningsvorm van de dijk.
    > Houd een royale zone langs de dijk vrij van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
    > Zorg bij knooppunten en kruisingen met infrastructuur (bijvoorbeeld kruising met de N247) voor een heldere ruimtelijke situatie. Zorg ervoor dat de ruimtelijke continuïteit van de landschappelijke gewaarborgd blijft.
    > Creëer een ruimtelijk heldere situatie bij de kruising van de Purmer Ee en de N247. Gebruik de Purmer Ee (boezemwater van de Purmer) als ruimtelijke drager voor ontwikkelingen en verwijder de beplanting op de dam zodat er zicht over de Gouwzee ontstaat (kans).

 

 

2. De trekvaarten in Noord-Holland hebben een historische waarde en vertellen de geschiedenis van het vervoer

De trekvaarten waren essentieel voor het transport over het water en als de verbindingen tussen steden onderling. Historische bebouwing langs de trekvaarten toont vaak waar overslag, in combinatie met nijverheid plaatsvond. De trekvaarten functioneren nog steeds als onderdeel van de boezem.

 

Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij:

  • het behouden van de oorspronkelijke ruimtelijke verschijningsvorm van de trekvaarten en het functionele karakter.               
    > Behoud het rechtlijnige karakter en het specifieke profiel (vaak met jaagpaden en specifieke oplossingen ter plaatse van bochten) van de trekvaarten.
    > Houd de zone tussen trekvaart en jaagpad zoveel mogelijk onbeplant om de identiteit van de trekvaart te benadrukken, tenzij de beplanting onderdeel van de oorspronkelijke compositie was, zoals bij de Muidertrekvaart.
    > Behoud de samenhang tussen de aanliggende voormalige jaagpaden en het water, ook wanneer de infrastructuur is verbreed. Zo is het jaagpad langs de trekvaart Hoorn-Amsterdam nu de provinciale weg N247.
    > Behoud de samenhang tussen vaart en omgeving en behoud het cultuurhistorische karakter van bijbehorende elementen als bruggen, sluizen en bebouwing.

 

  • het benutten van de trekvaarten als landschappelijke en recreatieve structuren (kans).
    > Benut de trekvaarten als structurerende landschappelijke elementen. Geef ze een bredere betekenis door ze te combineren met recreatieve routes en landschappelijke elementen langs de trekvaart (kans).
    > Benut de trekvaarten als een beleefbare en bruikbare historische infrastructuur van recreatieve vaarwegen (kans).

    > Zorg bij het ontwerp van nieuwe bruggen voor voldoende hoogte in verband met de recreatievaart (kans).

 

3. De ligging in het landschap, het doorgaande en rechtlijnige karakter, het royale profiel en de verschillende oeverlandschappen van het Noordhollandsch Kanaal zijn uitgangspunt

Het Noordhollandsch Kanaal is, doordat het verschillende waterlopen en ringvaarten aaneenschakelt, Noord-Hollands langste boezemkanaal geworden. Het is door de continuïteit, de lengte en het profiel een ruimtelijke drager voor het omliggende landschap en het vormt nog steeds een belangrijke (recreatieve en ecologische) verbinding. Het kanaal kent verschillende sferen met afwisselend een landschappelijke, (post)industriële of binnenstedelijke uitstraling. De (vlot)bruggen eroverheen, de linten en provinciale wegen erlangs en de aangrenzende buurtschappen dragen ook bij aan deze sfeerverschillen.

 

 

Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij:

  • het behoud en versterken van de continuïteit en de ruimtelijke verschijningsvorm van het Noordhollandsch Kanaal.
    > Behoud het rechtlijnige en doorgaande karakter en het brede profiel van het kanaal.
    > Versterk de karakterverschillen van oeverlandschappen tussen de segmenten van het kanaal en zorg dat de verschillende landschapstypen langs het kanaal herkenbaar blijven.
    > Behoud de vlotbruggen als cultureel erfgoed.
  • het versterken van de belevingswaarde van het Noordhollandsch Kanaal en de afwisseling in oeverlandschappen.
    > Behoud het zicht op de aangrenzende open polders en slotenstructuren vanaf de kaden en het kanaal.
    > Behoud het zicht op het kanaal vanaf provinciale wegen en historische dorpslinten.
    > Behoud de samenhang met (ensembles van) karakteristieke bebouwing, (vlot)bruggen, sluizen, stolpen, molens en andere beeldbepalende objecten langs het kanaal.
    > Zorg bij het aanpassen van bestaande kruisingen en aanleggen van nieuwe (provinciale) wegen dat de ruimtelijke relatie tussen weg en kanaal steeds helder blijft en dat de oriëntatie op het kanaal vanuit de weggebruiker steeds mogelijk blijft. Behoud het kanaal als continue ruimtelijke drager.
    > Ontwikkel doorgaande routes langs het Noordhollandsch Kanaal voor recreatief gebruik (kans).
    > Streef naar een eenduidige vormgeving van de ‘families’ van kunstwerken en oversteken over het Noordhollandsch Kanaal (kans).
    > Behoud restanten van de verdwenen trekvaarten en kanalen als cultuurhistorisch erfgoed (kans).

4. Het Noordzeekanaal wordt beter beleefbaar als recreatieve structuur, rijk aan erfgoed

De haven is een robuust, grootschalig werklandschap, met lange ruim gedimensioneerde infrastructuurlijnen. De oevers zijn over het algemeen openbaar toegankelijk. Er is veel industrieel erfgoed in het gebied, dat bijdraagt aan de identiteit van het gebied. Dit maakt de haven een potentieel onderdeel van het recreatieve landschap van de MRA. De haven is grotendeels goed bereikbaar voor langzaam verkeer, maar de routes zijn weinig aantrekkelijk. Het zijn vooral lange, rechte fietspaden langs de autoweg.

 

Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij:

  • het versterken van het Noordzeekanaal als recreatieve structuur in combinatie met het industrieel erfgoed.
    > Behoud het industrieel erfgoed in het Noordzeekanaalgebied door herbestemming.
    > Maak de cultuurhistorie van het gebied beter zichtbaar door het koppelen van recreatieve routes aan de verschillende cultuurhistorische elementen (kans).
    > Versterk de historische structuren zoals de IJdijken en de Stelling van Amsterdam als dragers van doorgaande recreatieve routes (kans).
    >Maak het Noordzeekanaal recreatief toegankelijk door middel van recreatieve doorsteken richting de openbare oevers aan het Noordzeekanaal (kans).
    > Maak recreatief medegebruik van de haven mogelijk, daar waar het de havenwerkzaamheden niet stoort. Zorg voor een goede aansluiting van de routes door de haven op het omliggende landschap (kans).

 

Scroll down Back to top